Back

In dit hoofdstuk wordt behandeld:

  1. Voorbereiding
    1. Klaarleggen
    2. Steeklat wikkelen
  2. Weven
    1. Recht beginnen
    2. Aan- en afhechten
    3. Inslag
    4. Vierkantstelling
    5. Meten
  3. Veel voorkomende problemen
    1. Weefwerk is niet overal even breed
    2. Afwijkende spanning op scheringdraden
    3. Scheringdraad knapt
    4. Aan- en afhechten wordt lelijk
    5. Foutje in het weefsel

Voorbereiding

Klaarleggen

  • Schaar
  • Meetlint
  • Schering-gewichtjes
  • Steeklat(ten) en/of Schuitje +Garenklosjes+ garenmolen
  • Restgaren
  • Naald
  • Inslaggaren
  • Opboommateriaal
  • Optioneel textiellijm

Steeklat wikkelen

Neem een steeklat waarvan de afstand tot de openingen zo’n 10% breder is dan het weefwerk. Hierdoor zal het mogelijk zijn om steeds bij een inslag eenvoudig één afwikkeling te maken.

De steeklat wikkel ik het liefst aan slechts één zijde op, waarbij ik steeds een “8” maak met m’n garen. Het meeste garen komt hierdoor aan de bovenzijde van de steeklat en de onderzijde blijft redelijk vlak. De zijde die niet gewikkeld is hou ik naar mijzelf gekeerd tijdens het weven. Hierdoor wordt het eenvoudiger om bij iedere inslag de draad aan de linker-of rechterkant van de steeklat van de wikkel te halen.

Het begin van de draad van de wikkel fixeer je zoals op de foto hiernaast.

De volgende foto laat de wikkeling zien aan de bovenkant van de steeklat.

Aan de onderzijde zit veel minder garen.

Door deze manier van wikkelen neemt de steeklat een positie tussen de 20-50 graden aan. Hierdoor gaat de lat gemakkelijk door de sprong zonder draden van de schering mee te pakken.

Weven

Recht beginnen

Er zijn verschillende manieren om recht met het weefwerk te beginnen zoals b.v.:

  • Een paar inslagen met een strookje karton
  • Een paar inslagen met textielgaren of wat restgaren

Deze extra inslagen die je in je weefwerk zet, zorgen datvendien zorgen dat de “V-tjes” die je altijd aan het begin van je weefwerk ziet weg geweven worden.

Aan- en afhechten

Aan- en afhechten van inslagdraden doe je bij voorkeur aan de zijkant. Als het gaat om een redelijk dunne draad, dan kan de draad ingelegd worden.

Inslag

Leg de draad altijd in of een hoek van 30-45 graden of in een boogje voor je het riet aanschuift. Dit omdat de draad ruimte nodig heeft om een weg te zoeken tussen de scheringdraden.

Doe je dit niet, dan zal je weefsels “ingeweven” worden, wat betekent dat je weefwerk smaller wordt.

Doordat er spanning op de scheringdraden staat, gaan ze zich gedragen als de tanden van een kam.

In deze kam heb ik een inslagdraad geweven in linnenbinding. De draad heb ik precies bij de 1e en de laatste tand van de kam afgeknipt. Haal je de draad uit de kam dan zie je dat deze veel langer is dan dan het stuk dat bij de 1e foto ingeweven is. In dit geval is het zelf ongeveer dubbel zo lang.

Als je normaliter bij een weefsel 10% garen extra neemt dan de breedte van je werkstuk, dan vang je het “tanden-effect” van de schering aardig op. Door de draad met een bochtje of in 40-45° te leggen, zal je doorgaans prima uitkomen.

Vierkantstelling

Het eerste werkstuk wat je weeft is een sjaal in vierkantstelling. Als een weefsel ‘in vierkantstelling’ wordt geweven zijn er evenveel inslagen als scheringdraden per centimeter. Om te zorgen dat je goed in vierkantstelling blijft weven is het raadzaam om af en toe gewoon te meten hoeveel inslagen je in een centimeter maakt. Meet dit na! Vaak blijkt dat je je riet niet hoeft aan te slaan. Schuiven van je riet geeft meestal voldoende om je inslagdraad op de juiste plek te krijgen.

Zelf let ik altijd op de opening tussen de draden. Dat moet een mooi vierkantje laten zien.

Meten

Als je niet meer en ook niet minder wilt weven dan dat het de bedoeling is, is het noodzakelijk om je weefwerk tijdend het weven te meten. Dit gaat als volgt:

  • Neem een band of een breed lint. Ik gebruik hiervoor rokband, maar het mag ook iets anders zijn.
  • Meet de lengte dat het weefwerk moet krijgen op de band en knip deze af.
  • Leg de band op je weefwerk waarbij het begin van de band start bij het begin van het weefwerk.
  • Speld deze vast met 2 knopspelden.
  • Telkens als je weefwerk verder op de doekboom komt, haal je de spanning van je weefsel. Haal je de onderste knopspeld los en maak de band verderop weer vast. De band wordt dus niet op de doekboom gerold. Dit om te voorkomen dat dit een verdikking gaat geven en daardoor inconsistentie in spanning.

De meetband kan je keer op keer gebruiken. Zo heb ik een band van 60 cm die ik steeds gebruik voor theedoeken. Afhankelijk van het patroon van de theedoek geef ik merktekens op de band, zodat ik zie wanneer een kleur- of trapwijze-wissel nodig is. Door deze tekens steeds in een andere kleur te merken kom ik niet in de war met eerdere patronen en is de band vele malen te gebruiken.

Doekboom

Naar mate je weefwerk vordert zal ook je geweven doek op de doekboom rollen. Gebruik ook hier je opboommateriaal om te zorgen dat je geen spanningsverschillen gaat krijgen.

Veel voorkomende problemen

Het weefwerk is niet overal even breed

Waarschijnlijk heb je niet bij iedere inslag de inslagdraad even veel ruimte gegeven. De enige keuze die je hebt is uithalen of accepteren. Er is wel een aantal nadelen van accepteren:

  • Je weefsel krijgt een andere maat dan je bedacht hebt
  • Er komt meer spanning te staan op de buitenste scheringdraden (onregelmatig weefsel)
  • De spanning op de buitenste schering draden kan zo groot worden dat het je riet verbuigt. Het riet kan hierdoor onbruikbaar worden.

Door gebruik te maken van een breedtehouder kan je breedte verschillen voorkomen.

Afwijkende spanning op scheringdraden

Bij een afwijkende spanning is het van belang om goed te kijken wat de oorzaak is.

Verhoogde draadspanning

Oorzaken van een verhoogde spanning van één of meer draden kunnen zijn:

  • Draad wordt belemmerd.
    • Zijn er draden om elkaar heen gedraaid?
    • Blijft de draad ergens achter haken?
  • Het doek zit niet goed op de doekboom. Als je met je hand eroverheen strijkt voel je een verdikking ter hoogte van de draden op spanning.
  • Oorzaak onbekend.

Als de oorzaak bekend is, kan je de oorzaak wegnemen. Soms is de oorzaak niet bekend of niet mogelijk om op te lossen. Dan rest alleen nog het doorknippen van de draad en deze behandelen als een geknapte scheringdraad. (een geknapte scheringdraad wordt in les 4 behandeld.)

Verlaagde draadspanning

Bijna altijd ligt de oorzaak van een verlaagde draadspanning bij het opbomen. Misschien heb je tijdens het opbomen gemist dat deze draad te veel ruimte had of zat deze tijdens het opbomen gekronkeld. Het makkelijkst is dit op te lossen door aan de draad een scheringdraad gewichtje te hangen. En als de draad wel heel erg los zit, zou je deze ook kunnen doorknippen en behandelen als een geknapte scheringdraad. (een geknapte scheringdraad wordt in les 4 behandeld.)

Aan- en afhechten wordt lelijk

Vaak heeft dit te maken met te dik garen. Rafel dan het uiteinde en het begin van de draad wat uit en knip de helft van de dikte van de draad weg. Maak de “las” van de draden waar zij half zo dik zijn.

Foutje in het weefsel

Een klein stukje verkeerd geweven? Dan is terug weven waarschijnlijk de beste optie. Voorzichtig inslagdraden doorknippen zonder de kettingdraden te raken, is een optie als er een groot stuk uitgehaald moet worden.